Het Open Boek Texel
\
De Stenenplaats in Den Burg, 1920
R e i s g i d s 1 9 1 0
Tekst ontleend aan De
geïllustreerde gids voor de Noordzee-eilanden, uitg. Evers Utrecht
1910
D e W a d d e n e i l a n d e n
We
bevinden ons aan Den Helder, vanwaar we onzen tocht over de Nederlandsche
Noordzee-eilanden zullen aanvangen. Met de Ada van Holland, de boot, waarop
de wakkere kapitein W. Mets tz. sedert tal van jaren gezagvoerder is, verlaten
we te 9.30 uur de oorlogshaven het Nieuwediep, om een rustig zeetochtje te
maken over Het Marsdiep. Rechts ligt het fort De Harssens met zijn kolossale
kanonnen en links zien we de groote zandvlakte Onrust, die zoon naam
wel past. Hoevelen hebben daar, of in de nabijheid er van, angstige oogenblikken
doorstaan; hoevelen ook hebben daar hun graf in de golven gevonden! Hoeveel
handelsschat is daar al niet verloren gegaan! Maar ook hebben hier geworsteld
met het wilde element tal van die edele zonen der zee, die het leven durfden
wagen, om dat van in doodsgevaar verkeerende medemenschen te redden, zonder
dat er naar rang of natie gevraagd werd. Menigmaal hebben de geredden niet
in verstaanbare klanken aan hunne redders kunnen mededeelen, dat hun hart
van dankbaarheid vervuld was, maar een handdruk heeft dan dikwijls meer gevoelsuiting
gegeven, dan een omslachtige redevoering had kunnen teweeg brengen. Nu ligt
de zandbank daar rustig, alleen vertoonende een lichte brandingszoom, terwijl
tal van meeuwen en zeehonden er rustplaats hebben gezocht. Hoe kalm is ook
nu de vloed, zoodat men het bijna niet kan gelooven, dat hij daar kostbare
schepen tot nietswaardige wrakken heeft gebeukt en zooveel zeemansleven en
handelswaren verloren heeft doen gaan. De zandplaat Onrust verplaatst zich
naar het Texelsche strand, waardoor de Heldersche zeewering het bij stormweer
te kwaad krijgt.

Blikkerend in de warm stralende zon verheft zich de duinenrij op het grootste
der Waddeneilanden, dat we over ruim een half uur hopen te betreden. We kunnen
hier op De Reede in hare biddende en visschende beweging
gadeslaan tal van Sterns, Kok- en Stormmeeuwen, terwijl vlugge bruinvisschen
opspringen uit het zilte nat, om met versche lucht gevulde longen weder onder
te dompelen. Kleine schuiten met TX op de beide boegzijden en in het zeil,
hebben de Texelsche haven weder verlaten en stevenen ons voorbij naar de Noordzee,
waar ze op den duur de zware concurrentie tegen de trawlervisschers niet kunnen
volhouden. De visscherij, eertijds zoo bloeiend op de eilanden, is dan ook
sterk achteruitgegaan. We stoomen het nette haventje binnen, dat men gaarne
vergroot zag, omdat de vrachtvaart sterk toegenomen is in de laatste jaren,
en weldra staan we op den wal van Texel.
T e x e l
Dit eiland is ruim 18.000 ha groot met inbegrip van bijna 4000 ha duin- en
mientgronden, behoorende aan de domeinen, en waar het Staatsboschbeheer in
de laatste jaren heel wat terrein heeft beplant en woesten grond in bruikbaar
land veranderd. Als we onze wandeling over Texel volbracht hebben, zullen
we stellig eene andere meening hebben omtrent dit eiland, dan velen, die er
nimmer kwamen, en slechts denken aan een duinerij met wat land en aanslibbing
in het oosten er naast. Als we hebben bezocht de zeven dorpen, de talrijke
gehuchten, boerderijen en polders, dan zullen we het weten, dat de afstanden
tamelijk groot zijn. En we hebben geene gelegenheid om per tram terug te keeren,
want de trambel wordt op Texel nog niet gehoord. Wel werd er herhaaldelijk
door het Gemeentebestuur concessie verleend voor het aanleggen van eene lijn,
doch de bezwaren er voor heeft men nog niet kunnen overwinnen. Als men evenwel
nog ziet den omnibussen, die daar van het haventerrein naar Den Burg en naar
Oosterend rijden, dan is men er wel van overtuigd, dat een trambaan hoogst
noodzakelijk is. Wel heeft men tal van goede rijtuigen op het eiland, doch
de tarieven zijn voor vele reizigers te hoog.
In oude geschriften leest men, dat Texel reeds aan de Romeinen bekend geweest
moet zijn, en dat het hun zelfs tot woonplaats heeft verstrekt. De naam en
ligging van het voornaamste dorp, Den Burg, toont zulks duidelijk aan en met
genoegzame zekerheid kan Drusus als de stichter van den oorspronkelijken Burg
beschouwd worden. De tegenwoordige NH-kerk, aldaar, staat op een heuvel, vroeger
omringd door een gracht of sloot, de Burggracht geheeten, welke heuvel dezelfde
moet zijn, waarop Drusus zijn sterkte bouwde. Ook zijn in het begin der achttiende
eeuw aldaar eenige Romeinsche penningen gevonden, terwijl een vroeger ontdekte
tumulus of begraafplaats mede als een overblijfsel van de Romeinen beschouwd
moet worden, aangezien de daarin gevondene voorwerpen de duidelijkste sporen
van Romeinsche herkomst met zich voeren. In den Sommeltjesberg, die vroeger
bij het dorp Waal lag, doch nu geslecht is, heeft men verschillende Romeinsche
oudheden gevonden, waarbij een ketel, in welks binnenruimte een merk en met
kleine letters de naam Mutufiof, als ook metalen, in elkander sluitende, lepels,
met den naam Adrianus F. De heer P. van Cuyck heeft in 1780 van een en ander
eene beschrijving gegeven, terwijl deze in het midden van de vorige eeuw herhaald
is door den heer F. Allan.
Veel zou er verder vermeld kunnen worden over de onafgebroken vervorming van
het eiland. Geduchte watervloeden rukten telkens deelen van het land weg,
terwijl met groote moeite en kosten weer stukken van de zee in polderland
werden omgezet. Doch we willen bij onzen tocht over de eilanden meer het oog
hebben op het tegenwoordige, dan op de geschiedenis, zij het dan ook, dat
we af en toe een blik in het verleden zullen slaan.
O
u d e s c h i l d
We zullen thans wandelen over Oudeschild en langs een landpad naar Den Burg.
Eerstgenoemd dorp bestaat hoofdzakelijk uit visscherswoningen, die er alle
netjes uitzien. Het is gelegen aan den voet van den dijk met een smalle straat
er voor. Ginds staat een gebouw, dat hoog boven de andere uitsteekt en waarop
met groote letters De Zeven Provinciën prijkt. Dat is de
dorpsherberg en daar moet meermalen onze grootste zeeheld, M.A. de Ruyter,
gelogeerd hebben, waarom men dit gebouw denzelfden naam heeft gegeven, als
het admiraalschip droeg. In de 17e eeuw kwamen de grootste koopvaardij- en
oorlogschepen geregeld voor deze plaats ten anker, om er zich van levensmiddelen
en andere behoeften te voorzien. Hier woonden ook de zoogenaamde slik- of
binnenloodsen, welke de schepen van de Reede over de Zuiderzee naar Amsterdam
moesten brengen. In 1835 bracht de organisatie van het loodswezen veel bij
tot het verval van deze plaats. Vele inwoners verhuisden naar elders en in
eenige jaren daalde de bevolking van het Oudeschild van ruim 1600 tot slechts
850 zielen. We volgen niet langer den weg, die langs de tot schapenweiden
gedegradeerde vestingwerken van Texel naar den Hoorn en Den Burg loopt, om
rechtsaf het landpad te volgen naar de hoeve Brakenstein en de Weezenplaats.
In die omgeving zijn tal van witte vogels zien met lichtblauw op de bovendeelen
en getooid met een bruinzwarten kop: t zijn Kokmeeuwen (Larus ridibundus),
die rustig op hun nesten blijven zitten.
Ze zijn aan voorbijgangers gewend geraakt en laten alleen hare kokkerende
geluiden hooren, wanneer men al te dicht bij de nesten of jongen komt. Dergelijke
meeuwenbroedkolonies zijn er meer op het eiland, en wel aardig is het daar
eens te vertoeven. De nesten zijn dikwijls zoo dicht bij elkander, dat men
er de voeten nauwelijks vrij kan zetten. Zon vogelrijken polder willen
we dan ook morgen eens bezoeken. We zullen de Kokmeeuwen niet in haren gewichtigsten
arbeid storen, ofschoon t wel interessant is, al die nesten te zien,
elk met drie bontgespikkelde eieren of met pasgeboren jongen, net donzen kluwentjes.

We wandelen verder voorbij de Weezenputten, waarin pompen zijn geplaatst.
Aan deze putten heeft het Algemeen Weeshuis zijne tegenwoordige welvaart en
vroegere ruime inkomsten te danken. Ze bevatten, gelegen aan den voet van
den heuvel Hoogeberg, steeds milden voorraad van helder en uitstekend drinkwater.
Sedert 1600 voorzagen al onze oorlogen koopvaardijschepen, die van Texel uit
naar zee gingen, zich voor de uitreize van dit water, waarvan het Weeshuis
de voordeelen genoot. Sedert de verlegging van de scheepvaart naar het Nieuwediep
is deze water-proviandeering opgehouden.
D
e H o o g e b e r g
We beklimmen den heuvel, die a an
deze zijde tamelijk steil is en naar het noorden zacht hellend afloopt. Op
het hoogste punt hebben we een schoon gezicht over het eiland. We kunnen hier
de torens van de zeven dorpen zien en heel aan de noordpunt verheft zich de
Eierlandsche vuurtoren, dien we ook morgen een bezoek zullen brengen. De meeste
landerijen zijn schapenweiden, door zoden walletjes van elkander gescheiden,
en bijna overal ziet men de wollige dieren blinkend afsteken tegen het groene
land. Schapenteelt is de hoofdbron van bestaan voor het eiland, en jaarlijks
worden wel 40.000 lammeren en schapen naar den vasten wal uitgevoerd. Ze zijn
hoofdzakelijk bestemd voor de Leidsche markten, waar ze, grootendeels ten
behoeve van Engeland, worden opgekocht. Groote rundveeboerderijen en melkerijen
heeft men op het eiland slechts weinige, terwijl ook de landbouw van weinig
beteekenis is. We hebben hier op den heuvel ook een keurig uitzicht op de
groote Marine-gebouwen, huizen en forten van Den Helder. Wat kon t er
vroeger druk zijn, toen het Noordzeekanaal nog niet bestond. Dan konden er
honderd en meer schepen op de Reede voor anker liggen, en nu komen te Nieuwediep
slechts weinige koopvaardijschepen meer binnen. We zien er nu enkele oorlogsbooten
heen en weer varen, terwijl de Ada van Holland opnieuw koers zet naar het
Nieuwediep. Deze boot vaart des zomers vijf keeren heen en terug, des winters
een maal minder, zoodat er gelegenheid genoeg bestaat, om het eiland te bezoeken
of te verlaten. s Winters, als er nog niet veel ijs in zee is, vaart
de boot wel op ongeregelde tijden, en als groote ijsschollen van de Zuiderzee
komen aandrijven, dan is t niet mogelijk de gemeenschap op die wijze
te onderhouden. De post wordt dan, zoo mogelijk, met eene ijsboot overgebracht,
waarmede bij goed weder ook enkele passagiers kunnen medegaan. Bij langdurigen
vorst is het wel gebeurd, dat men gebrek kreeg aan petroleum, keukenzout en
andere levensbehoeften. Sedert 1890 heeft zich dit geval evenwel niet meer
voorgedaan, terwijl men hoogst zelden van couranten, brieven en andere postaangelegenheden
verstoken bleef.

Tegen den Hoogeberg vindt men een aardig boschje met hoog opgaand hout, dat
wel wat eigenwijs den naam van Het Doolhof voert. Want met den besten wil
van de wereld kan men er niet in dolen, omdat de geringe oppervlakte dit niet
toelaat. Men kan er evenwel wandelen langs goede paden, waarbij men onthaald
wordt op het liefelijk gezang van verschillende vogels. Hoog in het geboomte
laat de Spotvogel zijne heldere, afwisselende tonen hooren, waartusschen de
zachtere geluiden van Hofzangers en Braamsluipers. De Koekoek komt af en toe
eens kijken, of de pleegouders, die hij voor zijne kinderen heeft uitverkoren,
wel trouw
op hun post blijven.
Aan het einde van het boschje vindt men een diepen kuil, den grooten zandkuil,
waar de bekende natuurbeschrijver, de Heer Jac. P. Thijsse, tal van waarnemingen
heeft gedaan. Wanneer we hierin gaan graven, zullen we stellig keisteenen
vinden, die daar, volgens het oordeel van Dr. Blink, door middel van ijsblokken
zijn gekomen, en die afkomstig zijn van de Scandinavische rotsen. Dat de grond
hier vroeger zeebodem is geweest, kan men zien aan de schelplagen, die hier
en daar worden gevonden, thans op eene hoogte van 10 à 15 m. boven
de zeeoppervlakte. Ook bevinden zich leemlagen in den heuvel. We wandelen
thans den heuvel aan de noordzijde af en komen spoedig op den grintweg, dien
we langs loopen naar Den Burg.
D
e n B u r g
We be geven
ons eerst naar het nette en van ouds bekende logement De Lindeboom, staande
aan het marktplein, waar we onzen intrek zullen nemen. De chef de cuisine
zorgt er voor eene uitstekende tafel, en over de goede ontvangst en de nette
bediening zal zeker ieder tevreden zijn. Bovendien heeft men er een aardig
zitje onder het hooge geboomte van het marktplein, waar men, vooral des avonds,
onthaald wordt op een druk spreeuwenconcert. Op dit plein worden de lammeren
en de schapen in het voorjaar bij duizenden verkocht, en ook hebben hier bij
feestelijke gelegenheden volksspelen enz. plaats. Aan de noordzijde van het
plein staat het nieuwgebouwde hotel Texel met keurige, groote concertzaal
en mooien tuin. Ook hier is het goed te wezen. Naar men zegt, zal deze zaak
worden afgebroken, om haar te Koog, waar een badpaviljoen gebouwd wordt, opnieuw
op te bouwen. Zou dit winst zijn voor het kleine dorpje Koog, zeker zou een
sieraad van Den Burg en vooral van het marktplein hierdoor verdwijnen.

Nog zijn er meerdere hotels op dit hoofddorp, als De Oranjeboom, De Zwaan
en De Vergulde Kikkert, zoodat er gelegenheid genoeg is, om te logeeren.
Het dorp Den Burg, dat ruim 1500 inwoners telt, dat is meer dan een vierde
deel van de geheele eilandbevolking, behoeft zich, wat netheid en aanleg betreft,
voor menig stadje niet te schamen. De straten loopen boogsgewijze om den vroegeren
burcht, waar eenmaal gravin Ada van Holland als gevangene verblijf moest houden,
doch welk gebouw thans tot weeshuis is ingericht. Volgens algemeen gevoelen
is het dorp Den Burg in de veertiende eeuw door poorten afgesloten geweest.
Nog weet men de plaatsen aan te wijzen, waar die poorten gestaan moeten hebben.
Bij onze wandeling door Den Burg valt ons de netheid der straten en huizen
op. Een keurig parkje ligt in het midden en daarbij het meergenoemd Weeshuis.
De in dat huis opgenomen kinderen gingen tot na de revolutie in 1795, half
groen en half zwart gekleed. Deze worden als de Texelsche kleuren beschouwd.
Een der Texelsche couranten heeft nog als motto: Groen-zwart, Texelsch
in het hart. Aan de andere zijde van het parkje staat op het hoogste
gedeelte de kerk der Hervormde Gemeente, die zeer oud is. Evenwel is zij van
zwaar metselwerk voorzien en nog hecht en sterk. Vroeger hingen er vele wapenborden
in van het oude geslacht der Neijenburgen, terwijl de daaraan gebrachte versieringen
betrekking hadden op zeeofficieren, die in de zeeslagen van 1666 en de daaraanvolgende
jaren gesneuveld waren en hier begraven zijn. Nog bewaart men er een bord,
waarop het volgende geschreven staat:
Dit bort is aan deese kerk verëerd tot een gedachtenis aan Lijsbet
de Bruijn, vroedvrouw, overleden alhier MDCCI.
Hier rust zij die 27 jaar.
Haar dienst nam trouwelijk hier waar.
En drie jaar buiten, tot God Haar door de dood,
Tot droefheid van mans en vrouwen, weer t huis ontboot.
Lijsbeth Jans heeft gehaald 1765 kinderen.
Op een zerk staat dit zonderlinge grafschrift uitgehouwen:
Wie dat A.H.D. dit graf beschouwt, en denkt op de uitverkooren, wat
dat dit voorbeeld is,
dat niemand kan ontgaan, de geessel van Godsroe deed ons van Ddood ontslaan,
doen Christus voor ons leed door Dirk van Hagendoorn.
Verschillende Arm- en Gasthuizen en Armenkamers te Den Burg doen zien, dat
er vroeger veel aan de armen vermaakt werd. Het Gesticht van Weldadigheid
staat aan het westeinde. Dit is ingericht tot verzorging van kranken en behoeftigen,
die tot geene kerkelijke armbedeeling van het eiland behooren, of die hun
domicilie van onderstand elders hebben. Vooral voor de laatsten was deze liefdadige
inrichting meermalen van uitstekenden dienst.
Als we nu nog even hebben bekeken het nette raadhuis, met het Texelsche Wapen
(een anker gesteund door twee staande leeuwen), de mooie Roomsch-Katholieke
Kerk en Pastorie, en de keurige ouderwetsche deur van hotel Texel, begeven
we ons naar De Lindeboom. We vernemen daar, dat vele der oude Texelsche gebruiken
verloren zijn geraakt. De eigenaardige taal wordt nog wel gesproken, doch
kan moeielijk geschreven worden. De ui wordt gewoonlijk vervangen door uu,
de ij door ie, de aa door een lang, aangehouden i (korte klank). Men hoort
nog spreken van puur een tensie in plaats van eene aanmerkelijke
hoeveelheid, van uwers en nuwers in plaats van ergens en nergens,
van buitje in plaats van wiegekindje, van stik in
plaats van boterham, en van taat en mêm, in plaats van vader
en moeder, enz. Doch niet allen gebruiken deze woorden en uitdrukkingen. De
gastmalen en beulingpartijen, nadat het varken geslacht was, komen niet meer
voor. De Texelsche Kap met breede kloffen en haren toeren, die de vrouwen
zoo echt mooi staan, geraakt meer en meer uit de mode, en ook de Texelsche
kapwagen, vroeger zoo algemeen, ziet men nog maar enkel langs den weg. Bij
de jeugd blijft nog in gebruik het branden van de Meierblis op den avond van
den 30sten april. Reeds vele dagen vooraf heeft men bijeenverzameld alles
wat maar brandbaar is en langs de huizen heeft men opgehaald, wat de zindelijke
huismoeders wel kwijt willen, als: oud behangselpapier, oude matten, kleedjes
enz., die uitgediend hebben. Men zingt daarbij op eentonige wijze,
Hooi, hooi, hej je gien strooi?
Hejje gien ouwe manden?
Dan zellen we de Meierblis branden.
Hekken en stekken, joten en palen,
Wat je niet geeft, dat zellen we halen.
Boer wil jij het laten staan?
Of we zellen hekken en stekken an enden slaan.
Op genoemden avond wordt dan alles onder groot gejuich verbrand op eene plaats,
waar geen gevaar voor brand bestaat.
Jaarlijks terugkeerende feesten zijn de kermis en het vieren van Sint-Nicolaasavond,
voor welke gelegenheden vele jongelingen een meisje vragen. Dikwijls komen
hier verbintenissen voor het leven uit voort, maar ook vaak is men weer vrij
van elkander, wanneer na het feest door de meisjes een avondje gegeven is.
Toch wordt ook van deze feesten minder gebruik gemaakt dan voorheen, terwijl
de lust tot reizen meer en meer toeneemt. In het gebruiken van sterken drank
is men op het eiland zeer matig. t Behoort tot de uitzonderingen, eens
iemand in kennelijken staat aan te treffen.
D
e K o o g
We maken thans eene wandeling naar het kleine dorp De Koog, waarheen de grintweg
leidt langs verschillende kreupelboschjes en boerderijen. t Is maar
een klein dorp meer. Vroeger was het eene uitgestrekte plaats, toen er vele
Groenlandvaarders woonden, die leven en welvaart over dit dorp verspreidden.
Toen ook lagen er uitgestrekte buitenvelden en uiterwaarden buiten de duinen,
die gras en hooi leverden voor de talrijke veehouders; doch die landerijen
zijn reeds lang een prooi der golven geworden. De vroeger zoo mildvloeiende
bronnen van visscherij en zeevaart hebben zelfs geen spoor meer achtergelaten,
en de weinige inwoners leven thans hoofdzakelijk van de schapenfokkerij. Enkelen
zijn duinboeren, die hunne schapen, twee aan twee aan lange lijnen gebonden,
in de duinen laten grazen.

Voor eenige jaren had De Koog een badpaviljoen op het duin, waar men een keurig
zitje had. t Werd evenwel afgebroken, doch nu zal er opnieuw een verrijzen.
En als er dan in het dorp goede gelegenheid komt tot logeeren, dan zal ongetwijfeld
dit plekje meer en meer bezocht worden. De duinen en het strand zijn er prachtig
mooi, en voor natuurliefhebbers bieden de duinen en verder het geheele eiland
een onafzienbaar arbeidsveld aan. Vogelsoorten in verschillend saizoen komen
hier jaarlijks minstens tot een getal van 250; planten in het wild bieden
den botanist eene verscheidenheid van wel 1200 variaties aan, en hoe groot
het aantal torren, nacht- en dagvlinders en andere insecten wel is, dat jaarlijks
op het eiland gevonden wordt, kan slechts bij benadering worden opgegeven.
Men kan gerust spreken van verscheidene duizenden. Mooie plantenplekjes heeft
men vooral in de duinvalleien. t Mooiste is stellig dat, wat men vindt
in de vlakte de Nederlanden en bij de Muy, een half uur benoorden De Koog.
Hoe keurig bloeit hier het Parnaskruid naast het Rondbladig wintergroen, terwijl
tal van orchissoorten fraai afsteken bij het geel van zoovele andere bloemen.
Ook broeden hier jaarlijks tal van vogels, vooral in de duindoornen, waar
Kneutjes en Paapjes wel het meest vertegenwoordigd zijn. Men kan hier volop
natuurgenot smaken. Wanneer we het hooge duin, waarop een houten scherm met
de seintoestellen voor den storm-waarschuwingsdienst is geplaatst, hebben
beklommen, kunnen we een blik werpen over het gansche eiland. We zien hier
weder de dorpen en de vele andere plaatsen. De tallooze tuinwalletjes, die
donker afsteken bij de groene weiden, doen ons het eiland vergelijken bij
eene groote wafel terwijl we, zoover het oog reikt, schapen zien grazen, en
op enkele weidelanden eenige runderen. Wanneer we den blik naar het noorden
wenden, dan valt het eerst in het oog de hooge Eierlandsche vuurtoren en verder
eene onafzienbare duinenrij, die zich op Vlieland voortzet. Hoe rustig is
thans de Noordzee, en hoe liefelijk rollen de kabbelende, witgekrulde golfjes
tegen het zachthellend strand! Heel in de verte ziet men kleine witte en bruine
zeilen van visschersschuiten, die aldaar het bedrijf uitoefenen in de zoogenaamde
steenen, eene gewoonlijk rijke, doch tevens gevaarlijke vischplaats.
Ongeveer ten noordwesten van het lichtschip van De Haaks aanvangende, strekt
zich deze verscheidene Kilometers breede strook uit tot nagenoeg ten noorden
van den Eierandschen vuurtoren, in bijna dezelfde richting als de kust van
Texel, alleen in het noordelijke gedeelte een weinig naar het oosten buigende.
Op sommige plaatsen is daar de bodem als bedekt door een talloos tal van echte,
Noorsche rolsteenen, waaronder er zijn van zeer respectabele afmetingen. Meer
verspreid naderen zij de Texelsche kust tot op een afstand van hoogstens 5
km. Hier gaan de visschers de bekende tong vangen, welke visch in vroeger
tijd te dezer plaatse in veel grooter hoeveelheid dan thans werd aangetroffen.
Toch kan de visscherij naar tong nog wel loonend zijn, als men zoo gelukkig
is, dat de netten niet achter die groote keien vastloopen, dan natuurlijk
stuk scheuren en vaak geheel verloren gaan. Dikwijls toch gebeurt het, dat
een visscher in één nacht uitgevischt is, d.i. al
de netten, welke hij aan boord heeft, gescheurd of verloren heeft. In dit
geval ziet hij zich genoodzaakt, somtijds zonder eenige vangst, naar huis
te keeren, waar hij nieuwe netten moet aanschaffen, of de gescheurde herstellen.
Ook zien we heel aan den horizon enkele rookpluimen van stoombooten. Het moet
zeker aangenaam zijn, om met zulk schoon weder een tochtje mede te maken,
b.v. van Hamburg naar Londen; doch als de storm zich verheft en de baren tot
bergen opzweept, dan kan het hier gevaarlijk zijn. Dan gebeurt het, dat men
hier noodschoten hoort, waarop de kustwacht onmiddellijk seint om de bemanning
van de reddingboot. Deze boot is geplaatst in het huisje, dat we daar kunnen
zien aan den duinvoet, tusschen de zoogenaamde stuifnollen. Ze
staat daar steeds gereed op een wagen met breede wielen. Zoodra er gevaar
is voor de arme schipbreukelingen, worden eenige paarden voor den wagen gespannen,
terwijl de redders zich voorzien van zwemvesten. In draf gaat het nu naar
den waterkant, waar de woedende golven in schuim uiteen spatten. Er behoort
veel moed toe, om bij zoon kokende branding eene plaats in de boot in
te nemen; doch als men de-in-gevaarverkeerenden hoort weeklagen en jammeren,
dan telt men gewoonlijk het leven van die menschen meer, dan eigen bestaan,
en meestentijds zijn er rappe handen te over.
Het gebeurt evenwel, dat men met de reddingboot het gestrande schip niet kan
bereiken; dan probeert men met een ijzeren vuurpijltoestel eene dunne lijn
over het schip te schieten, waaraan men dan een dikker touw van het strand
naar het schip kan halen, en zoo gemeenschap tusschen schip en wal kan verkrijgen.
Meermalen heeft men ook op deze wijze kostbare menschenlevens doen behouden
blijven.
D
e n H o o r n
Eene wel wat lange, maar aangename wandeling is het langs het strand tot achter
het dorp Den Hoorn. Ook kan men gaan langs de binnenzijde van het duin, langs
tal van boschjes en over het heideveld tot voorbij de bebosschingen van het
Staatsboschbeheer. Den Hoorn was vroeger eene voorname en bloeiende plaats,
doordat het loodswezen er vele bemanningen telde. De loodsen zijn evenwel
reeds lang vertrokken, en nu telt het slechts enkele honderden inwoners, die
van veeteelt en haringvisscherij leven. De hooge kerktoren doet dienst als
zeebaken en wordt bij de meeste peilingen in den omtrek als merkteeken genoemd.

Den Hoorn had vroeger nog een dorp in zijn nabijheid, De Westen genaamd, dat,
volgens overleveringen, door de Spanjaarden verbrand moet zijn, doch hiervoor
bestaat geen genoegzame grond van waarschijnlijkheid. De hooge Westertoren
heeft nog lang, als laatste overblijfsel van het dorp, bestaan, doch is eindelijk,
na door den wind sterk gehavend te zijn, afgebroken. Het kerkhof, waarop men
nog tal van beenderen kan vinden, werd daarna tot gewoon weiland gemaakt.
Van Den Hoorn gaan we weder naar Den Burg over den kronkelenden grintweg langs
den Prins-Hendrikpolder, die reeds in 1769 werd ingedijkt, doch in 1796 weder
gebied van de zee werd. In 1846 had opnieuw indijking plaats en sedert dien
tijd bleef de oppervlakte van ruim 530 ha grond gespaard.
We komen voorbij De Kamp, de schoone bezitting der Doopsgezinde Gemeente,
voorbij Noord- en Zuidhaffel en De Witte Engel, en bereiken zoo weder ons
logement. Wanneer we ons door den slaap en door de goede gerechten van den
hotelier nieuwe krachten hebben verworven voor den tweeden dag, gaan we opnieuw
welgemoed op stap, nu naar het oostelijk en noordelijk gedeelte van het eiland.
D
e W a a l
We gaan de Waalderstraat door en wandelen langs den kronkelenden grintweg,
die ons in een half uur voert langs den korenmolen De Vrede, naar het kleine
boerendorp De Waal. Ik deel u al vast het een en ander van dat eeuwenoude
dorpje mee. Er is eene Hervormde en Doopsgezinde kerk. De eerste is op eene
hoogte gebouwd. De doopsgezinde predikant van den Burg treedt ook hier en
te Oosterend op. Beide kerken zijn van een orgel voorzien. Veeteelt en landbouw
zijn hier het hoofdbedrijf. Aan De Waal is ook eene kaasmakerij, die met de
beste kan wedijveren. De openbare school is net, maar telt slechts een 25-tal
leerlingen. Het Hoofd der School wordt alleen bijgestaan door eene onderwijzeres
in de nuttige handwerken. Aan dit dorp is ook een geneesheer gevestigd. Tot
de nuttige instellingen hier behoort een plaatselijk Nut en een Zanggezelschap.
De Waal is telephonisch met de andere dorpen verbonden en bezit een hulppostkantoor,
dat tevens telephonisch met het Hoofdkantoor verbonden is.

In het laatste der achttiende eeuw werd beoosten De Waal eene tumulus of Romeinsche
begraafplaats gevonden. De heuvel, Sommeltjesberg geheeten, is sedert langen
tijd reeds geslecht. Men vond er Romeinsche oudheden in, als: een ketel met
een merk er in en den naam Mutufiof, voorts metalen in elkaar sluitende lepels
met den naam Adrianus F. en andere huisgeraden. Een en ander is breedvoerig
opgenomen in een beschrijving van Texel van zekeren Pieter van Cuyck, die
zijn boekje, dat in het gemeentearchief berust, in 1795 uitgaf, als ik mij
tenminste niet vergis, wat het jaartal betreft. In datzelfde archief is ook
een werkje, uit denzelfden tijd, behelzende: Brieven over Texel.
O
o s t e r e n d
We wandelen langs vanuit het kleine boerendorp Waal langs de gehuchten Molenbuurt
en Harkebuurt naar het dorp Oosterend. Dit dorp is minder groot dan het hoofddorp,
doch het bevat toch verschillende straten en vier kerkgebouwen. Dit van de
Neder-duitsch Hervormde Gemeente is oud, doch nog hecht en sterk en staat
op het midden van de begraafplaats. Van binnen is het voor eenige jaren gerestaureerd;
toen zijn ook de oude zerken, waaronder er waren met eigenaardige opschriften,
weggeruimd. Rondom het kerkhof staat een krans van zware lindeboomen, die
een sierraad voor het dorp zijn. Nieuwgebouwd is de fraaie RK-kerk en ook
die der gereformeerden draagt nog den glans der nieuwheid. De oude vermaning,
met haar keurig kerkorgel, ziet er van binnen uiterst netjes uit en legt daarmede
getuigenis af van de goede financieele omstandigheden der Doopsgezinde Gemeente
Burg, Waal en Oosterend. Voor het uitstalraam van den fotograaf
L. Bakker zien we keurige kiekjes van de verschillende deelen
van het eiland en dat van de zuidwestzijde van Oosterend trekt in het bijzonder
onze aandacht. We kunnen dan ook niet nalaten het te koopen, opdat we het
een ieder kunnen toonen. Ook zien we met genoegen dat van het bekende logement
Het Wapen van Amsterdam, dat aanmerkelijke uitbreiding heeft ondergaan, en
waarin reeds zoovele natuuronderzoekers en touristen op vriendelijke wijze
werden ontvangen. Bekende Engelsche ornithologen als Mr. Selous, Mr. Kearton
e.a. verbleven hier meermalen om onderzoekingen te kunnen doen in den vogelrijken
polder Het Noorden, en heele gezelschappen der Nederlandsche Ornithologische
en Natuurhistorische Vereenigingen kennen het gebouw als eene plaats, die
rust en lafenis biedt na vermoeiende wandelingen.
Als we het dorp verder doorloopen, valt ons in het oog de netheid der huizen.
De meeste muren zijn met witkalk bestreken. Vroeger woonde hier eene visschersbevolking
die ruim brood verdiende, doch thans heeft deze het moeilijk, om in het onderhoud
te voorzien. Den wolveeboeren gaat het evenwel goed, en hierbij zijn thans
verscheidene personen werkzaam, die vroeger kor en roerpen hanteerden.

Aan het oostelijk einde van het dorp staat de School met den Bijbel de eenige
bijzondere school in de Gemeente. We verlaten Oosterend met zijn dikken toren,
die in rechte lijn met gindsch ijzeren baken als zeemerk dienst moet doen,
om langs een voetpad te gaan over de gehuchten Zevenhuizen en Oost naar den
polder het Noorden, rechts latende liggen de huizen van het Nieuweschild,
dat vroeger eene uitgebreide plaats was, en nu, als nietig overschot van vroegeren
pracht, slechts een vijftal woningen meer telt. Hier ook woonden vroeger verscheidene
walvischvaarders, evenals op andere plaatsen van het eiland.
H
e t N o o r d e n , d e B o l e n W a a l e
n B u r g
We loopen Het Noorden in zijne volle lengte door. Dat deze polder geene eerste
soort zeeklei bevat, bewijzen de kale zandplekken vol blinkende schelpen,
en toch is deze bodem reeds bijna dertig jaren droog. Maar vogels zijn er
bij groote aantallen. Wanneer we langs den watermolen gaan en ons door den
molenaar even laten overzetten op de Bol, dan kunnen we in een minimum van
tijd honderden nesten met eieren en jongen aanschouwen. Dit terrein wordt
bewaakt en beschermd, en geprezen als een van de mooiste vogelplekjes uit
heel ons vaderland. Sterns broeden er zooveel, dat men de voeten bijna niet
vrij kan zetten, wanneer men zich in t midden van de kolonie begeeft.
Zoowel de Noordsche- of Zilvergrijze Zeezwaluw, als het meer bekende Vischdiefje
en de Dwergstern broeden hier in groot aantal. Maar ook, wanneer men wat verder
ziet, ontwaart men er de schoone Kluit met zijne naar boven omgebogen baleinachtigen
snavel. Slechts op enkele plaatsen in ons vaderland komt deze bonte vogel
broedende voor. Niet moeilijk valt t, de nesten, die slechts bestaan
in eene geringe uitholling van den zandigen bodem, te vinden. Reeds op aanmerkelijken
afstand vallen de vier groote bonte eieren, die veel op kievitseieren gelijken
en er ook wel voor verkocht worden, in het oog. Vreemde vertooningen maken
deze broedende vogels, wanneer men hunne nesten nadert. Vermoedelijk heeft
men in die bewegingen te zien de gemoedsaandoeningen der dieren.

Wanneer we verder de Bol rondwandelen zien we nog tal van andere vogelsoorten
en verschillende species laten min of meer gillende geluiden hooren. De Scholekster
schreeuwt wel het luidst, wanneer we in de nabijheid komen van zijne jongen,
die hier of daar verscholen zitten tusschen aardkluiten of in een greppel.
Strand- en Bontbekplevieren trippelen heen en weder en laten hunne angstige
tierkgeluidjes hooren. Aardig zien de nestjes er uit, met de eiertjes
gedeeltelijk weggeborgen in schelpgruis en de omgeving er van versierd met
schelpen van verschillende kleur in dikwijls symmetrische figuren. Kieviten
schieten op de onwelkome bezoekers toe, Tureluren vliegen rond met de pooten
omlaag gestrekt, Graspiepers en Kwikstaarten trippelen van kluit op kluit,
keurige Bergeenden zwemmen rond in het polderbeekje en ginds hebben verscheidene
Kemphanen hun tournooiveld.
Met geweldige halskragen en rechtopstaande verlengde kopvederen snellen ze
op elkander toe, zonder elkander te kwetsen of te dooden. Eigenaardige vogels
toch, in het voorjaar kennelijk aan die lange vederen en gele aangezichtswratjes,
althans de mannetjes, alle verschillend van kleur, en straks al die bijzonderheden
weder verliezende om als gelijkkleurige vogels een eenzaam leven te leiden!
Groot is de verscheidenheid van vogels, die hier huist, ook in den winter,
en veel zouden we er nu nog kunnen zien en opmerken, doch we moeten voort.
Als we wandelen langs den rechten weg door den polder Het Noorden, komen we
eindelijk bij den slaperdijk, waarover de polder Waal en Burg ligt. Ook hier
zouden we veel kunnen zien, allereerst eene uitgebreide broedkolonie van Kokmeeuwen,
verder tal van Rietzangers en Karekieten, die hunne kunstige nestjes hebben
opgehangen tusschen de rietstelen.
Het beekje Het Kil slingert zich voort tusschen oevers met riet begroeid,
waarin broedplaats gevonden wordt voor Dodaars en Waterhoentje, zoowel als
voor Meerkoeten en allerhande Eendvogels, terwijl in het hooiland weder allerhande
nesten van weide- en moerasvogels gevonden worden.
De Akkerleeuwerik, die alom tegenwoordig schijnt te zijn, laat ook hier voortdurend
zijne tiereliertonen hooren. In het veld ziet men een bonte pracht van allerhande
bloemen en tusschen het riet verheft zich de Zwanenbloem, als de Koningin
der moerasflora. Ook voor liefhebbers van visschen met hengel en zetlijn biedt
Waal en Burg een goed terrein. Baars en Voren is er in overvloed vertegenwoordigd
en Snoeken van meer dan 12 ponden zwaar zijn geene zeldzaamheid. De palingvisscher
Visman heeft hier zijne fuiken staan en geeft gaarne permissie aan degenen,
die hier hun hart eens willen ophalen. Verschillende Sterns, waarmede we reeds
eerder kennis maakten, zweven boven het water, en daartusschen ontwaren we
ook nog de donker gekleurde soort, die Zwarte Zeezwaluw of Sterna nigra wordt genoemd.
E
i e r l a n d
We verlaten ook dit oord, waar de natuuronderzoeker een rijk studieveld heeft,
en we bevinden ons weldra in den grootsten polder van het eiland, genaamd
Eierland. Deze naam was vroeger meer gepast dan tegenwoordig, want toen werden
er verbazende hoeveelheden eieren gevonden. Er staat opgeteekend, dat vroegere
pachters hunne huurgelden konden betalen met de opbrengsten van eieren en
wilde konijnen. Eieren zijn er nu niet veel meer; misschien heeft de hebzucht
der menschen de vogels naar veiliger broedplaatsen doen omzien. De uitgebreide
broedkolonies van de Groote Stern (Sterna cantiaca) en van de Zilvermeeuw (Larus argentatus) zijn geheel verdwenen, terwijl deze vogelsoorten
in andere deelen van ons vaderland nog wel menigvuldig voorkomen.
In den polder Eierland vindt men nog wat zeeklei, en zoodoende ook bouwland,
ofschoon minder dan voorheen. Eigenaardig is het, dat men hier de bouwhoeven
bijna alle aardrijkskundige benamingen heeft gegeven, zoodat men hier in één
dag kan gaan van s Hertogenbosch naar Buitenzorg, van Holland naar Akyab,
van Delft naar Bern, van Rotterdam naar Padang, enz. De wegen zijn er kaarsrecht
aangelegd en de meest gebruikte wordt genoemd gebed zonder einde.
Als we hier langs gewandeld zijn, komen we ten slotte bij het noordelijkste
plaatsje De Cocksdorp. We slaan evenwel eerst links af, om een bezoek te brengen
aan den dikken Eierlandschen vuurtoren. Onze weg loopt langs het Eierlandsche
huis, voor enkele jaren nieuwgebouwd. Op deze plek stond eerder een oud eerwaardig
gebouw, rustende onder zeven daken. Jammer is het, dat dit in vlammen is opgegaan,
omdat er voor velen herinneringen aan verbonden waren. Menig zeeman heeft
hier onderdak gevonden, wanneer hij door den storm op het strand geworpen
was. Menig droeve zucht is hier geslaakt over verloren makkers, die mede schipbreuk
leden, doch die den dood in de golven vonden.

We beklimmen even den Eierlandschen vuurtoren en bevinden ons weldra 34 meter
boven het duinterrein of ruim 50 meter boven den zeespiegel. Sedert 1864 is
deze lichttoren een baken voor den zeeman, om hem te waarschuwen voor de gevaarlijke
Eierlandsche Gronden, die zich hier over een groote oppervlakte in zee uitstrekken.
Des nachts is deze toren kenbaar aan het witte draailicht, dat elke minuut
gedurende 10 seconden helder en 50 seconden verduisterd tot op een afstand
van 19 zeemijlen zichtbaar is. Hoe keurig zindelijk ziet van binnen die groote
lantaarn met de fijngeslepen prismaglazen er uit, en wat wonderlijke beelden
geven ze te zien, wanneer men zich ieder aan een zijde van den wand plaatst!
t Is bij kalm weer wel aardig hier eens te zijn, maar wanneer daar op
korten afstand de brekende golven een heksensabbat vieren, en
de stormwind den toren doet schudden, dan moet men wel een weinig meer moed
dan een gewoon mensch hebben, om niet angstig te worden. Op den omgang van
den toren kan men nog eens over het geheele eiland Texel heen zien en ook
over Vlieland, dat we morgen hopen te bezoeken. In de Noordzee ziet men over
eene groote oppervlakte het water, als het ware haasje-over spelen.
Deze witte krulgolfjes vormen de branding op de Eierlandsche Gronden, ondiepten,
waar heel veel jammer geleden is en veel schatten zijn verloren gegaan. De
vuurtoren maakt, dat veel minder strandingen plaats hebben dan vroeger, en
is dus een zegen voor den zeeman.
Als we ons hooge standpunt weder hebben verlaten, wandelen we in het duin
door een vallei, die het Engelsche kerkhof wordt genoemd. Bij vroegere strandingen
moeten hier vele Engelsche schipbreukelingen begraven zijn, en bij onlangs
verricht graafwerk heeft men er ook nog een aantal oude Engelsche munten ontdekt.
Verder komen we voorbij het poldertje de Volharding, dat reeds herhaalde malen
overstroomde, zoodat de bewoners de vlucht moesten nemen, en eindelijk komen
we aan het dorp De Cocksdorp, waar we den nacht zullen doorbrengen.
D e C o c k s d o r p
Het is aldus genaamd naar wijlen den heer J.J. de Cock, van Rotterdam, en
bestaat uit hoofdzakelijk ééne rij huizen. t Is een tamelijk
geïsoleerd plekje, doch de bewoners zijn er bijzonder gastvrij en leven
over t algemeen hartelijk met elkander. t Is thans telegrafisch
verbonden met Vlieland en den vasten wal. Slechts eenmaal per dag komt hier
een postwagen van Oudeschild, die ongeveer 3,5 uur gaans heen en even zooveel
terug moet rijden. Een tramlijn naar hier zou dus ook de postgemeenschap eene
groote schrede vooruit kunnen brengen, en stellig zouden meerdere personen
dit noordelijk punt van Texel bezoeken, dan nu het geval is.
De bewoners van De Cocksdorp vinden hun bestaan hoofdzakelijk in den landbouw
en in de schelpenvisscherij, ofschoon de laatste voornamelijk wordt gedreven
door een stoom-schelpenzuiger, waardoor de kleine schuitjes bijna voor goed
hebben afgedaan. Duizenden kubieke meters schelpen werden en worden jaarlijks
van de zandbanken tusschen Texel en Vlieland gehaald, en naar verschillende
oorden in ons vaderland verzonden. Hoofdzakelijk zijn ze bestemd voor de kalkbranderijen
en voor het aanleggen van kunstwegen.
De visschers hebben het hier te De Cocksdorp over t algemeen niet te
breed. Toch hebben ze nog weleens voordeelige tijden, wanneer uit gestrande
schepen de lading geborgen moet worden. Ook is het meermalen gelukt het vaartuig
af te brengen, en dan heeft men in korten tijd weleens veel geld verdiend.
Eene haven is er te De Cocksdorp niet te vinden, de schuitjes en tjalken liggen
bij de groote uitwateringssluis aan het begin eener kronkelende vaargeul,
Roggesloot geheeten. Als we nog even den stevigen zeedijk naar het oosten
volgen, komen we bij den polder Eendracht, waarin slechts een paar landbouwhoeven,
Zeeburg en t Fortuin genaamd, en eenige arbeiderswoningen staan. Veel
bijzonders is er op het land niet te zien; alleen mogen we ons verbazen over
de groote hoeveelheden Meeuwvogels, die hier leven, zoowel binnen als buitendijks.
Toch zijn er in het najaar nog aanmerkelijk meer, dan tegenwoordig. Dan toch
vindt men hier in groote vluchten de Stormmeeuw of Kleine Zeemeeuw (Larus
canus), die nu naar noordelijker streken zijn vertrokken, om voor hare
vermenigvuldiging zorg te dragen. Ook op het buitenveld achter de Eendracht
houden zich tal van meeuwen en andere vogels op. We gaan thans naar het logement
De Hoop, waar we den nacht zullen doorbrengen. Ook hier heeft al menig schipbreukeling
onderdak bekomen, en zich liefderijk verzorgd gezien. Wij kunnen er dus ook
beslist op een goede ontvangst en nette bediening staat maken. Ha, we hebben
ook het genoegen kennis te maken met den ouden postschipper, Tijs Buijs, die
in 1906 zijn 50-jarig jubileum heeft gevierd. Morgen zal hij ook ons met zijn
schuitje naar Vlieland brengen.

Bij zijn jubileum gaf een der geïllustreerde bladen s mans portret
en we vonden daarbij o.m. opgeteekend:
Hierbij geven wij het portret van den plichtgetrouwen, koenen en braven
Tijs Buijs, die den 1sten Januari 1906 zijn vijftig-jarig jubileum viert als
postschipper over het Eierlandsche Gat, meer dan 30.000 malen heeft hij orkanen,
stormen, ijs en woeste zeeën trotseerende, de hem toevertrouwde stukken
en waarden in zijn postscheepje veilig naar den overkant gebracht, en ondanks
zijn 70-jarigen leeftijd, verricht hij zijne taak nog met groote toewijding;
hij bewoont de noordelijkste punt van het eiland en is nog in het gelukkig
bezit van zijne trouwe gade. Als hij het bijltje er bij neerlegt, krijgt hij
geen pensioen; zijne verbintenis is bij contract geregeld en wordt telkens
vernieuwd. De wakkere Tijs Buijs is de levende brug tusschen Texel en Vlieland!
De eigenaar van De Hoop is een broeder van dezen schipper en heet Jacob Buijs.
Ook hij heeft lange jaren medegevaren met de postschuit en zich verdienstelijk
gemaakt bij het redden van schipbreukelingen en als plaatselijke bestuurder
voor de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingsmaatschappij. Het heeft Hare Majesteit
de Koningin der Nederlanden dan ook behaagd, hem voor die verdiensten te benoemen
tot Broeder van den Nederlandschen Leeuw. Mogen de gebroeders Buijs nog vele
jaren op hun moeielijk en welbesteed leven terug kunnen zien. Met dezen wensch
gaan we naar bed, om tevens afscheid te nemen van Texel en zijne bewoners.
N
a a r V l i e l a n d
Des morgens te 9 uur verlaten we De Hoop in De Cocksdorp, waar we met zooveel
genoegen hebben gelogeerd. Het postkarretje, dat dagelijks de gemeenschap
over Texel onderhoudt, is aangekomen, en de postzakken, bestemd voor Vlieland
en Terschelling worden medegevoerd aan boord. Na eene wandeling van tien minuten
zijn we in de schuit, die ons naar Vlieland zal varen. Het zeil en de fok
worden geheschen en weldra zeilen we met zacht schommelende beweging weg.
We verbeelden ons een tamelijk.langen overtocht te moeten maken, want de Vlielandsche
duinen zijn nog verre van ons verwijderd. Als we evenwel ongeveer een half
uur gevaren hebben, waarbij we dikwijls omkeken naar den Eierlandschen vuurtoren,
en ons ook verlustigd hebben in het spelen van de witte brandinggolven op
de Buitengronden, zien we voor ons eene zeer groote zandvlakte, waarover een
karretje rijdt in onze richting. Weldra kunnen we niet verder, en het rijtuigje,
dat veel gelijkt op dat, hetwelk we op De Cocksdorp hebben gezien, is onmiddellijk
bij ons. Verder kunnen we niet varen. De schippersknecht draagt ons één
voor één op zijn breeden rug naar het droge, en weldra staan
we op de Vliehors. Als er één passagier medekomt, kan hij tegen
behoorlijke vergoeding met het postkarretje mederijden, doch ons blijft niets
over, dan den afstand van hier naar het eenige dorp op Vlieland te voet af
te leggen. Denk daar evenwel niet te gemakkelijk over, want we hebben ruim
twee uur te loopen, eer we bij de duinen zijn, en dan nog twee uur, alvorens
we Oost-Vlieland, zoals het dorp heet, bereikt kunnen hebben. Gelukkig evenwel,
dat de vloed niet hoog opkomt, anders zouden we de eerste helft van onzen
marsch door het water moeten waden, op verschillende plaatsen tot over de
enkels. Nu is het strand vrij droog en tamelijk vast, zoodat we met genoegen
er langs kunnen wandelen. Postschipper en postrijder hebben elkander spoedig
de zakken, die in tegengestelde richting verzonden moeten worden, overhandigd.
Het Cocksdorper schuitje drijft weder weg, het paard van den postrijder draaft
langs het vaste zand van de Hors, en wij gaan slechts langzaam voort, om nog
te zien, wat onze belangstelling wekt. Wanneer men hier geheel alleen dwaalt,
krijgt men, als het ware, een gevoel van verlatenheid, waarvoor nu natuurlijk
geen gevaar bestaat.

Links ruischt de Noordzee en vertoont hare witte brandingkoppen, terwijl zoovele
witte vogels als schitterende dwaalsterren daarboven zweven; rechts ziet men
de Zuiderzee, waarin talrijke platen en ondiepten, en waarlangs alleen ervaren
schippers den weg kunnen vinden; vooruit de groote zandvlakte met strandmeertjes
in de verte en hier en daar paalstompen, als overblijfsels van in het strand
verzonken wrakken; achter ons het Eierlandsche Gat, waardoor alleen kleinere
vaartuigen kunnen gaan, en daarover het eiland Texel met vuurtoren, kerken,
boerenplaatsen en andere verhevenheden.