Het Open Boek Texel
T
e x e l s e d i a l e c t n a m e n v o o r p l a n t e
n
Ontleend
aan de gids De wilde planten van Texel
De blomme bloeie op t veld, 't Is zóó
skóón os sullevergeld
Appeltjeskruud Lepeltjesheid
(cranberry). Heeft vruchtjes die wel wat op
appeltjes lijken.
Besseheid Kraaiheide
Bevertjes Trilgras
Bitterzoethout Bitterzoet
Blaauwe klokkies Grasklokje (ook Wilde hyacint)
Blaauwe knóópies Zandblauwtje
Blaauwe skeertjes Harlekijn
Blaauwe stiekel Blauwe zeedistel
Blaauwe stinkblom Blauwe knoop
Blaauwe strandblom Lamsoor. De soort groeit op kwelders en zgn. groene
stranden. In een oud Tessels rijmpje gaat het van Keeromme, keeromme,
al met je blaauwe blomme.
Braamdores braamstruiken
Braambeie Dauw- en Bosbraam. Beie zijn bessen.
Bréédblod-hellem Noordse helm (een kruising tussen Helm
en Duinriet met bredere bladen dan de gewone Helm)
Bréédkop Kruldistel, Speerdistel
Brande neekel Grote en Kleine brandnetel
Butterblom Boterbloem
Damrije Engels raaigras. Groeit op het land, vooral bij dammen of hekken,
omdat het vee daar vaker staat en er dus meer mest terechtkomt.
Diekblomme Engels gras. Komt tamelijk veel voor op oude binnendijkjes.
Dikkop Speerdistel
Dolkruud Dolle kervel, Kroontjeskruid (ook voor andere wolfsmelksoorten)
Doorebesse, doores Duindoorn
Dóóve neekel de dovenetelsoorten
Drieblod Zevenblad
Dróóge sporte Biezenknoppen
Duule Galigaan. Deze soort werd vroeger, net als riet, gebruikt voor
dakbedekking. Ook werden schoven op het veld ermee afgedekt, omdat dan het
regenwater er sneller afliep. Achter Loodsmansduin groeiden er veel. Daar
bestaat nog het Duuleflakkie.
Duunbraam Dauwbraam
Duuvelgéére Duivelsnaaigaren
Eélkroost Watereppe (éél = aal)
Eéuwig leeve Muurpeper. Een erg taai plantje.
Egelplant Doornappel. De vruchten zijn met stekels bezet.
Eikelplantje Scherpe fijnstraal
Fakkel Jeneverbes
Farrekesfergift Zwarte nachtschade
Feugeltjesmellek Vogelmelk
Feugeltjes Vogelwikke. Als je een open bloempje precies bij de steel
afknijpt en dan aan de onderkant vasthoudt, heeft het precies de vorm van
een vogeltje, met snavel en al.
Feussies pluimen van riet en gras
Fleerebóóm, flierestruuk Vlier. In het duingebied bij
Den Hoorn had je vroeger de Fleerebóómsnol.
Fleissie Koekoeksbloem
Fliegefanger, Fliegeplantje Zonnedauw. Een aftreksel van Ronde zonnedauw
werd vroeger wel in slemp gedaan om amoureuze lusten op te wekken.
Flooiekruud Heelblaadjes, Zeealsem. Vroeger gebruikte men stro of hooi
in de bedstee. In stro zaten vlooien, in hooi niet. Heelblaadjes zit altijd
tussen het hooi en misschien werd er daarom een vlooienwerende werking aan
toegedicht. Een oud rijmpje: Deer komt een luus, deer komt n flooi,
deer komt een mannetje mit haverestrooi. Tot in de 20ste eeuw werden
takjes van de sterk geurende Zeealsem in matrassen gestopt omdat men dacht
dat vlooien daar niet van hielden.
Frattekruud Kroontjeskruid, wolfsmelksoorten
Fuulte verzamelnaam voor onkruid
Ganze (góónze)muur Vogelmuur. Ganzen eten het heel graag.
Gele klompies Rolklaver. Vooral vlinderbloemigen werden met schoenen,
muilen e.d. vergeleken.
Geele pluume Geel walstro
Glaaze muultjes Rolklaver
Gouwe spelde Engels gras. De naam zou mogelijk verklaard kunnen worden
uit de vroegere verbinding met Engeland. Daar bestaat nog als volksnaam Ladys
pincushion (onze-lieve-vrouwe-speldekussen). Zie ook de opmerking bij Hoedespelde.
Gouwe stiekel Driedistel
Groene kéésies kaasjeskruidsoorten. De op kaasjes lijkende
vruchten werden vroeger vaak door kinderen gegeten. Tegenwoordig lusten ze
die niet meer.
Gróóte blauwe klokke Klokjesgentiaan
Gróóte butterblom Dotterbloem
Gróóte piespot Haagwinde
Haagedoore Meidoorn
Haan Zeebies
Haanekam Gele lis
Haanekóól, Haanekol(leke) biezen, Zwanenbloem. Vroeger
werden ze met Pinksteren geplukt en de witte ondereinden van de stam met stroop
gegeten. Dat deed men ook met de wortels van verschillende russensoorten.
Haantjes Moeraskartelblad (zie Kuukelehaantjes)
Haantjes en kuukelehaantjes de ratelaarsoorten
Haazeblaade Herfstleeuwentand, Smalle weegbree en Muizenoor.
Haazebróód Hazenpootje, Gewone veldbies
Harend Noordse, Ronde of Platte rus. Harendhooi was vroeger bij de
veeboeren erg gewild. Koeien en schapen die ziek waren of niet zo goed groeiden,
liet men graag op harendland grazen. De mielanden bij Oudeschild
bijvoorbeeld waren om die reden erg in trek. Het was trouwens lastig hooien,
want Harend is kort en glad en niet gemakkelijk bij elkaar te houden.
Harrekies Vogelwikke
Heeregros voedzame grassoort die in pijpjesvorm groeit, aldus Pieter
van Cuyck in 1789. Waarschijnlijk een russensoort. Zie ook Harend.
Heid Kraai- en Struikheide. Vroeger werd deze heidesoort door bakkers
in de ovens gestookt omdat het snel heet werd en stookhout op Texel schaars
was.
Heidaalebesseheid Kraaiheide. De vruchten van de soort heten heidaalebesse.
Als je er te veel van eet krijg je diarree.
Herfsttiteloos Herfsttijloos
Hoedespelde Engels gras. De naam verwijst naar de ouderwetse hoedenspeld
die dwars door hoed en haar werd gestoken om het afwaaien te voorkomen. Aan
één kant van de speld zat een versiering. De bloempjes op hun
lange stelen lijken er wel wat op.
Hondetong Grote weegbree
Honingbloempies Witte dovenetel
Hooisééd Gestreepte witbol
Jaapeblom, Jaapetakken Duinroos. De botteltjes werden jaape
genoemd. Voor de duinboeren lastige plantjes want de vacht van de schapen
zat vaak vol met de stekelige takjes. Dat bemoeilijkte het scheren. Het tweede
duin links van de Badweg in De Koog heet de Jaapenol.
Jezusgros Perzikkruid. De donkerbruine of -rode vlekken op de bladeren
zijn volgens een oude legende ontstaan doordat bloeddruppels van Christus
op de bladen vielen van het Perzikkruid dat onder het kruis groeide. De plant
zou een symbool zijn van menselijke schuld. Als er een stuk of vier op een
meter bij elkaar staan groeit er verder niets meer.
Juffers, Juffrouwe Kale jonker, Wegdistel
Kampies Vogelwikke
Kankerblom Grote klaproos
Kebouterschoentjes Brem (zie Gele klompies)
Kéésies, Kéésieskruud, Kéésiesblom de kaasjeskruidsoorten
Kerremesblom Zandblauwtje. De soort bloeit in de tijd dat er kermis
op Texel is, eind juni - begin juli.
Ketoengros Wollegras, Veenpluis
Kikkerblod Grote waterweegbree
Kikkerblom Speenkruid
Klein leeuwebekkie Vlasbekje
Klóód, Klóódeblaade de klissensoorten.
Je hangt als een klóód betekent dat je de pineut
bent.
Klompe en muultjes (Moeras)rolklaver (zie Gele klompies)
Knapper(tjes)heid Dophei. De enige soort hei die knappert als het brandt.
Knieneblaade Paardenbloem en de andere gele composieten. Wordt veel
gezocht als voedsel voor tamme konijnen.
Knienesteertje Hazenpootje
Knóópeskéér Zwaluwtong
Koeieblom de rode orchidee‘nsoorten, Rode klaver en zelfs Engels gras.
Het is de vraag of al deze soorten zo graag door koeien werden gegeten.
Koekoeksblom de orchidee‘nsoorten
Konnewosser Lisdodde. Een kannenwasser is een tuitenrager. Achter Den
Hoorn groeiden vroeger veel lisdodden. De naam Kannewassersgat herinnert hier
nog aan. Vroeger werd de Lisdodde (rietsigaar) wel gesneden voor het zaadpluis
om bedden en kussens mee op te vullen. Waarschijnlijk geen onverdeeld genoegen
omdat het pluis klonterde en erg stoof.
Kooiblomme Wilde hyacint. Deze plant werd eertijds als bijverdienste
in de eendenkooien geteeld. De kweekvormen die de Wilde hyacint hebben verdrongen,
waren er toen nog niet. In de kooibosjes werden later vaak sneeuwklokjes gekweekt.
Korrewòs Zwanenbloem (korrewòs: karwats)
Kotjespluum Wollegras
Kottebeie Zwarte nachtschade, ook de bessen van de aardappel.
Kottebeieheid Kraaiheide
Kottedoore Kruipend stalkruid, Kattendoorn
Kraaleblom Lamsoor. Groeit vaak samen met of in de nabijheid van Zeekraal
(op Texel soute kraale). Komt ook voor in een Tessels poeziealbumversje:
Duuzend kraaleblomme bloeie, duuzend harte ben van stien; kiend jee
bent temet een wonder, eeveliek is dr genien.
Kreuje de duizendguldenkruidsoorten. Ze werden voorheen ingezameld
om als geneesmiddel gebruikt te worden. Het moest tegen veel kwalen helpen,
in elk geval tegen nier- en blaasziekten en tegen reuma.
Krok Witte krodde, Herik
Króóntjes Kroontjeskruid
Króóst de kroossoorten
Krulgros Pijpenstrootje
Kruupertjes Kruipertje, ook voor veldgerst
Kruupgros Buntgras. De pollen: kruupgrosbolle.
Kruuzemunt Watermunt
Kuukelehaantjes Rolklaver, Ratelaar, Helmbloem. De bloemvorm van deze
planten heeft wat van de kop van een haan. Tesselse kinderversjes worden tegenwoordig
ook Kuukelehaantjes genoemd.
Kwielblaade, Kwielkwobbe Ridderzuring (kwiel is Tessels voor kwijl)
Lamperager Grote muggenorchis
Lange juffer Wilgenroosje, maar ook Kale jonker
Lepelblòd Grote waterweegbree, Waterdrieblad en de lepelbladsoorten.
Vanwege zijn geneeskrachtige eigenschappen werd het Waterdrieblad vroeger
door duinboeren veel geplukt en geleverd aan de apotheek in Den Burg. Vooral
in de natte duinvalleien bij Den Hoorn stonden uitgestrekte velden met deze
nu zeldzame soort.
Lepeltjesblòd Herderstasje
Liesterbei Lijsterbes
Luilakke Knikkende vogelmelk
Maartsfiooltje Duinviooltje
Mannetrouw Gewone ereprijs, Mannetjesereprijs
Meierblom Madeliefje, maar ook Paardenbloem en Muizenoor.
Mellekmurik de muursoorten
Mellekstamme, Mellekwiet algemeen voor melkdistelsoorten
Moerdebei Dauwbraam, Bosbraam
Mooletjes Echte koekoeksbloem
Mosróósie Parnassia (zie ook Ongansblom)
Mouwekruuper Kruipertje
Munnekeblaade de kruiskruidsoorten. Munnek of kottemunnik is Tessels
voor nachtvlinder. Hoe dat in verband moet worden gebracht met kruiskruiden
is niet helemaal duidelijk. Het zou moeten zijn omdat het Jacobskruid vaak
kaalgevreten wordt door de rups van de Sint Jacobsvlinder.
Murik, Murrik de muursoorten
Muultjes (Moeras)rolklaver zie Gele klompies
Muskuskruud Zilverschoon
Muuzegorst Kruipertje, Kruipend struisgras
Nachtkéérs Teunisbloem
Nachtpitje Bernagie
Nakende juffies, nakende mònnetjes, nakende vrouwtjes Sneeuwklokjes
Navelblòd Gewone waternavel
Neutjes (Pijp)torkruid
Ongansblom Parnassia. Deze soort groeit op lage vochtige plaatsen.
Dat zijn ook de plaatsen waar schapen vroeger leverbotziekte (ongans) opliepen.
Sommige duingebieden werden vanwege de aanwezigheid van ongóóns
met een tuinwal (later met een heining) afgezet.
Ontuug onkruid, als verzamelnaam minder gebruikt dan fuulte.
Ooievaarssnavel Ooievaarsbek
Opskot Spontaan opgeschoten groen onder bomen of gewas dat op het land
opkomt omdat het er eerder geplant is geweest.
Ossestiekels Kale jonker. Bij de ontginning van de mientgronden werden
ossenploegen gebruikt. Blijkbaar lustten die beesten ze graag. Ook koeien
zijn er gek op, vooral als de planten kort daarvoor zijn afgemaaid. Ze zijn
dan verlept en veel zachter. Dat is ook het geval wanneer na een vorstperiode
de dooi intreedt. De koeien vreten er dan de hartjes uit.
Peerdeblom gele composieten zoals de Paardenbloem, de Duinpaardenbloem,
Kleine leeuwentand en Schermhavikskruid, maar ook Klein streepzaad en Dagkoekoeksbloem.
Peperemuntblom Watermunt
Piepekoppe Vingerhoedskruid
Piepiekeersiekangelaar Zwanenbloem. Hij komt voor in een Tessels rijmpje:
Piepiekeersiekangelaar, ik wou dot t morrege sundag waar.
Piespotjes Akkerhoornbloem, Gewone hoornbloem
Pinksterblom Echte koekoeksbloem
Pisblomme Fluitenkruid. Heeft vanwege zijn typische geur wellicht deze
naam gekregen.
Poddeblaade Grote waterweegbree, Hertshoornweegbree, Ridderzuring
Poddeblom Duizendblad
Poppe Geel walstro
Raai Engels raaigras
Reie in het zaad geschoten gras
Rietsegaar Grote en Kleine lisdodde
Rieze, Riezetakke Kruipwilg
Roggebróódjes, Roggebróódstengels Weegbree
Róódskinkel Perzikkruid, Veenwortel. Skinkel kan samenhangen
met het woord schenkel, wegens de knokige roodachtige stengelgeledingen. In
het Tessels is skinkel ook een ijzeren haak, bijvoorbeeld zoals die zit aan
de disselboom van een boerenkar. Het gebogen ijzer onder een schaats wordt
eveneens een skinkel genoemd.
Rooie jaape Meidoorn
Rooie skaater Rode ogentroost (zie Skaater)
Rooie sterre Echte koekoeksbloem
Ruugte Wild gewas
Saabel Gele lis. De naam slaat op de bladen, die lijken op een ouderwets
tweesnijdend zwaard.
Sachte neekel Witte dovenetel
Seere óógeblom Fluitenkruid, Duizendblad. De eerste geldt
als veroorzaker, de tweede als genezer.
Sintaurus de duizendguldenkruidsoorten. De naam is afgeleid van de
wetenschappelijke naam centaurium.
Skaater ratelaarsoorten. Skateren is klapperen of ratelen. De vruchten
van de ratelaar klapperen dikwijls in de kelkbladen. Dat Rode ogentroost Rooie
skaater wordt genoemd, komt waarschijnlijk omdat de bloemen enigszins lijken
op die van de Ratelaar en omdat beide soorten in hetzelfde gebied voorkomen.
Rammelen doen deze vruchten echter niet.
Skarrepe mellekstamme Zeemelkdistel (skarrepe is scherpe)
Skéépeblom Engels gras, Witte klaver, Madeliefje. Schapen
zijn helemaal niet zo dol op Witte klaver. De naam zal dus te danken zijn
aan het schapenwollig witte bloemetje. Ook Madeliefjes worden niet door schapen
gegeten, zodat de naam waarschijnlijk eveneens betrekking heeft op de bloemkleur.
Skéépegros Duizendblad, Schapengras
Skéépe-oor Lamsoor
Skeerkwost Echte koekoeksbloem
Skeertjes Harlekijn
Skeuertjes, Skuiertjes Vogelwikke
Skoentjes, Skoenemuultjes (Moeras)rolklaver (zie Gele klompies)
Sléépmusse Vingerhoedskruid, Haagwinde
Slóótsegaar Grote en Kleine lisdodde
Soute kraale Zeekraal. Rond 1900 werd een deel van de Slufter de
Kraale genoemd omdat er zoveel zeekraal groeide.
Speenkruud Zilverschoon, Speenkruid
Spelde, speldekoppe Engels gras (zie ook Gouwe spelde en Hoedespelde)
Sporte alle russensoorten. Een sporteweid is dus geen sportveld,
maar een weiland met veel russen.
Sterretjes Vogelmelk
Stiekel alle distelsoorten. Duidelijk geen geliefde planten. In het
dialect staat stiekelig voor hatelijk, afstiekele is afschepen. Vroeger hingen
jongens op de avond voor luilak (de zaterdag voor Pinksteren) distels (soms
ook brandnetels) aan de deurknoppen. Wie ze s morgens nog het langst
had hangen was de luilak. (Luilak, sléépzak, kerremespop,
staat om neege uure op, neege uure, hallef tien, nag is die luilak niet te
sien). In Oudeschild visten de jongens met hetzelfde doel krabben. De
meisjes hielden het vriendelijker: ze vlochten bloemen tot kransen en hingen
die aan de deur.
Stiekelhakker Knikkende distel
Stienklaver Liggende klaver, Rupsklaver
Stinkeblom Zandblauwtje
Stinkeróós Grote klaproos
Stinkgros Gewoon varkensgras. Deze plantensoort stinkt niet. Het voorvoegsel
stink betekent hier ongewenst of lastig.
Sulleverskóón Zilverschoon
Suugblom kartelbladsoorten, Rode klaver, Paarse en Witte dovenetel.
Kinderen zogen vroeger uit al deze soorten honing.
Suugertjes Moeras- en Heidekartelblad. Deze beide soorten bevatten
meer honing dan de dovenetels.
Suukerblom Rode klaver (zie Suugblom)
Suukerstikke Witte dovenetel. Een suukerstik is eigenlijk een boterham
met suiker. Bij de geboorte van een kind trakteerde men daar vroeger op (zie
Suugblom).
Suurblaade, Suurik Veld- en Schapenzuring, waarschijnlijk ook voor
andere zuringsoorten.
Sweereblaade Hondsdraf. De naam duidt op de geneeskrachtige werking
die eraan werd toegekend.
Teeblaade Drijvend fonteinkruid
Teerkwost Echte koekoeksbloem
Tiesklaver Hopklaver. Tieste zijn klitten (tieste in t heer).
In de ties zitten betekent: in de war zitten.
Uunder Lidrus, Heermoes, Paardenstaart
Velde(r)blom Madeliefje
Waterblom Pinksterbloem
Waterklaver Waterdrieblad (zie Lepelblòd)
Weegeblaade Grote weegbree en Waterweegbree
Weerblomme Echte Kamille (ook voor de andere kamillesoorten)
Weerbóómpies Zeecypres, Zeemos. Voor de oorlog ventte
Jan van der Wal uit De Koog ermee. Hij verkocht ze als een soort barometer
in een fles water. Bij dalende luchtdruk, dus als er slecht weer op komst
was, kwamen er belletjes af. Het bijzondere is dat Zeecypres geen plantje
is maar een kolonie diertjes, en wel hydropoliepen. Die worden ook als miniatuurboompjes
gebruikt bij modelbouw. Meestal gebruikt men overigens Rendiermos en geen
Zee- cypres, want die is nogal slap.
Wéésie Hondsviooltje, maar ook het Akkerviooltje, Maartsviooltje
en Duinviooltje. Waarschijnlijk zo genoemd naar de kinderen uit het voormalig
weeshuis van Den Burg. Die liepen vanaf ca. 1915 in blauwe kleding (voordien
liepen ze in het zwart). Overigens wordt ook de gewone naam Fiooltje gebruikt.
Wilde boekweit Zwaluwtong
Wilde goukes Heelblaadjes. Goukes is op Texel de naam voor Goudsbloem.
Wilde karremel de kamillesoorten
Wilde kepok Wollegras
Wilde knieneblaade Duinpaardenbloem, Kleine leeuwentand
Wilde klokke Haagwinde
Wilde stekbiet Strandbiet
Wilde tarrow Biestarwegras
Wilde wortel Peen
Winternavel Winterpostelein
Witte koeieblom Gevlekte orchis
Witte wijve Witte krodde
Wok Vogelwikke
Wurremekruud Boerenwormkruid
Zééster Zulte, Zeeaster